Fietsstoeltje

De eerste maanden na Josse’s geboorte gingen voorbij in een waas. Ik had

zwangerschapsverlof maar geen baby om voor te zorgen. Ik zat thuis en was daar heel

blij mee. Het had me immers niet gelukt om te werken. Het verdriet was overweldigend.

Het was van zo’n donkere diepte dat ik er bang van werd. Ik kreeg angstaanvallen, zat

thuis naar de muur te staren en huilde. Ik huilde, huilde en huilde. Iedere dag. Stilletjes

in bed, met lange uithalen in de gang, op de badkamervloer, in de zetel, in de kelder, …

Overal. Met m’n knieën opgetrokken als een klein bolletje, met m’n hoofd tegen de muur,

in foetushouding, …

Ik kreeg niets gedaan. Ik kwam niet buiten, wilde geen mensen zien, beantwoordde geen

telefoontjes of sms’en, … Het liefst van al wilde ik gewoon van de wereld verdwijnen, net

zoals hem. Ik herinner me dat ik mijn lief een keer tegen een vriend hoorde zeggen: ‘ik

denk dat het even wat beter met haar gaat, want ze is vandaag naar de kruidenier

gegaan om peren te kopen.’.

Op één van zulke dagen, verplichtte ik mezelf om even naar buiten te gaan. Ik had tot

16u in de zetel gelegen en had niets gedaan. Om mezelf te troosten, besloot ik naar het

Schoonselhof te gaan, op bezoek bij Josse. Ik stapte op de fiets. Het begon donker te

worden en het was spitsuur. Op de Belgiëlei sprong het licht op rood. Ik stond te

wachten en keek naar alle drukte. Voetgangers, fietsers, auto’s, trams, … een enorm

gekrioel. Opeens vond ik het ondragelijk dat niemand van al die mensen wist dat ik een

moeder ben. Ik wilde schreeuwen; ‘Kijk naar mij! Ik ben een moeder! Mijn zoon is dood

en ik ben op weg naar zijn graf! Ik heb geen fietsstoeltje, maar ik heb wel een kind!’. Ik

stond daar te huilen en toen werd het groen.

Na rood wordt het altijd groen.

Auteur: Lieze, mama van Josse*